De Hoge Raad gaat om: inperking van overdrachtsbelastingdruk bij aandelentransacties
Een verkrijger van onroerende zaken is in beginsel 6% overdrachtsbelasting verschuldigd over de waarde in het economische verkeer - of de hogere tegenprestatie - van die zaken. Volgens art. 4 WBR wordt ook ter zake van een verkrijging van aandelen in een lichaam overdrachtsbelasting geheven, mits:
- de verkrijger - tezamen met zijn referentiegroep - een derde belang houdt in dat lichaam;
- de bezittingen van dat lichaam grotendeels uit onroerende zaken - of daarmee gelijkgestelde vermogensbestanddelen ex art. 4, tweede lid, WBR - bestaan, en
• deze onroerende zaken hoofdzakelijk dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die zaken.
Als gevolg van deze wetsfictie is ter zake van de verkrijging van een derde belang in een zogenoemd onroerendezaaklichaam, overdrachtsbelasting verschuldigd. De gedachte achter deze wetsfictie is gelegen in de bedoeling van de wetgever te voorkomen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan (antimisbruikkarakter). Echter, in bepaalde gevallen gaat de wettekst verder dan de bedoeling was van de wetgever. Zo kan op basis van de wettekst overdrachtsbelasting worden geheven bij de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam, ondanks het feit dat een rechtstreekse verkrijging van in het bezit van die onroerendezaaklichaam zijnde onroerende zaken onbelast zou zijn. Anders dan in HR 13 januari 1982, nr. 20.875, BNB 1982/74, heeft de Hoge Raad in HR 10 juni 2011, nr. 10.00498, V-N 2011/32.19, het antimisbruikkarakter van art. 4 WBR laten prevaleren boven de grammaticale interpretatie van de wet. In deze bijdrage analyseert de auteur het voornoemde HR 10 juni 2011 en beschrijft hij de achtergrond en de motivering voor de koerswijziging van de Hoge Raad. Voorts gaat hij na welke gevolgen het arrest heeft voor de reikwijdte van de samenloopvrijstelling ex art. 15, eerste lid, onderdeel a, WBR en wat de uitstralingseffecten zijn naar de overige bepalingen in de WBR.
Al in 2007 oordeelde de Hoge Raad dat ter zake van een indirecte verkrijging van onroerende zaken niet meer overdrachtsbelasting dient te worden geheven dan bij een rechtstreekse verkrijging van die zaken. In dezelfde trend gaat de Hoge Raad in juni 2011 om: anders dan het oordeel in 1982 bepaalt de Hoge Raad op 10 juni 2011 dat de samenloopvrijstelling ex art. 15, eerste lid, onderdeel a, WBR - ondanks het feit dat geen omzetbelasting is verschuldigd bij de levering van aandelen - ook van toepassing is bij een indirecte verkrijging van bouwterreinen. Daarbij lijkt het verschil in behandeling tussen rechtstreekse en indirecte verkrijging bij andere belastingen niet doorslaggevend. Vooralsnog heeft de Hoge Raad art. 15, eerste lid, onderdeel a, WBR slechts van toepassing verklaard bij een indirecte verkrijging van nieuwe nog ongebruikte onroerende zaken die zich bevinden in de bouw- en handelsfase, maar ook de toepassing van art. 15, eerste lid, onderdeel a, WBR bij een indirecte verkrijging van gebruikte onroerende zaken binnen zes maanden na ingebruikname acht de auteur niet bij voorbaat kansloos. Het oordeel in HR 10 juni 2011, is niet alleen een bevestiging dat de vrijstellingsbepaling ex art. 15 WBR ook openstaat voor indirecte verkrijgingen van onroerende zaken, maar opent tevens de weg voor een verruimde toepassing van art. 9, vierde lid, WBR. Tot slot geeft het arrest volgens de auteur munitie voor de redenering dat ook een indirecte verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam niet zwaarder mag worden belast dan een rechtstreekse verkrijging van die aandelen.
