Een blik op onderdelen van de gewijzigde successiewet
Op 3 november 2009 is het wetsvoorstel tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (31 930) door de Tweede Kamer aangenomen en op 15 december 2009 door de Eerste Kamer. In deze bijdrage wordt op enige onderdelen van de met ingang van 1 januari 2010 ingrijpend gewijzigde wetgeving voor het heffen van schenk- en erfbelasting ingegaan. Behandelt wordt achtereenvolgens de begrippen partner, quasi-stiefkinderen en defiscalisering. Vervolgens komen het tarief, de vrijstellingen en de pensioenimputatie aan de orde en de fiscale gevolgen van onderling overeengekomen renteafspraken. Tot slot komen de schenking onder opschortende voorwaarde, de herroepelijke schenking en de dertigdagenclausule aan de orde.
Voor samenwoners, die niet voldoen aan de vereisten opgenomen in het huidige art. la SW 1956, kan de nieuwe wetgeving verstrekkende gevolgen hebben. De huidige wetgeving dwingt bovendien feitelijk echtscheiding of scheiding van tafel en bed af voor diegenen die (nog) gehuwd zijn en samenwonen met een andere partner. Enige flexibiliteit zou in dat verband voor de praktijk erg welkom zijn. Ondanks dat het begrip ‘kinderen’ met quasi-stiefkinderen (een kind van de ene ongehuwde partner dat niet een kind is van de andere ongehuwde partner) is uitgebreid, blijft het in de praktijk als een manco ervaren worden dat geen verdere gelijkstelling in de SW 1956 is opgenomen. Defiscalisering is met ingang van 1 januari 2010 ook van toepassing bij ongehuwde partners met kinderen wanneer de nalatenschap van één van die partners overeenkomstig de wettelijke verdeling wordt verdeeld. Voor de toepassing van art. 5.4 Wet lB 2001 wordt onder het begrip ‘kind’ voortaan ook begrepen een quasi-stiefkind.
De aanzienlijke vereenvoudiging van de tarief- en vrijstellingenstructuur wordt toegejuicht.
De opvatting dat de erfbelasting in vele gevallen significant is verlaagd, wordt – met uitzondering van ‘vreemden’ – niet gedeeld. De schenkbelasting voor jaarlijkse schenkingen door ouders aan kinderen tot ongeveer € 100.000 is drastisch verhoogd.
De pensioenimputatie is voor ouders en kinderen afgeschaft, maar voor de partner blijven bestaan. Op grond van ‘enige vorm van dubbele heffing’ en vanuit de verzorgingsgedachte is dat niet te verklaren, noch uit te leggen. Daarnaast zou intrekking van de imputatieregeling voor de partner ook nog een bijdrage leveren aan duidelijkere en eenvoudigere wetgeving.
De tot 1 januari 2010 bestaande onduidelijkheden op het terrein van ‘renteafspraken’ zijn grotendeels opgelost. Een schenking/gift onder opschortende voorwaarde wordt voortaan voor de heffing van schenkbelasting geacht tot stand te komen op het moment dat de voorwaarde wordt vervuld. Bij teruggave van schenkbelasting als gevolg van herroeping van een herroepelijke schenking, wordt thans rekening gehouden met de voordelen die tijdens de bezitsperiode zijn genoten. Het belang om een ‘dertigdagenclausule’ op te nemen in testamenten is afgenomen. Toch blijft het raadzaam een dergelijke clausule in testamenten te vermelden en verder uit te werken.
